| |
|
|
 |
|
|
|
|
 |
| |
| |
| |
|
|
|
INLEIDING:
Volwassene- begeleider.
INSPIRATIE: De filosofie van dit verhaaltje heeft als ondertoon
geborgenheid,
het kind/volwassene leert wat vriendschap is.
KIND: Deze tekst is enkel bedoeld als leiddraad, om het door te
vertellen in
de spreektaal van het kind.
VOLWASSENE: De verspringing van Poëzie en de eenvoudige
kindertaal in het
verhaal, zijn een verweving van het volwassene en het eeuwige
kind in ons. |
|
 |
|
De schouders naar voren en met sterke nek links en
rechts knikkend en nu en dan briesend om zichzelf
kracht bij te geven duwt het paard zijn hoeven
schuin naar achter in de gewrochte grond.
Achter de rug van Blesse piept de zware rol.
Boer Jan stapt met zekerheid over de getekende aarde
van hoefslagen, zwijgend, met zevenmijlslaarzen
stapt kleine Toontje naast boer Jan. Een belletje
rinkelt hoog op Blesses nek het klinkt vol muziek en
maakt het labeur zacht. |
|
kindertekening van Peter |
|
|
De nog niet zo hoge zon duwt in boer Jans gegroefde
nek, de warmte van het grote paard kriebelt in hun
neuzen, ze stappen voort, traag en zeker. De drie
duwen de koppige brokken plat, gaan en kerend plet de
rol.
Tegen de middag, klemmen de laarsjes van het kleine
ventje tegen de dampende schouders van Blesse.
Blesses lichaam trilt, voorzichtig om geen last te
zijn helpt het kleine ventje telkens weer het
lichaam van het zware paard, door het op en neer
gaan af te vlakken.
"Je ziet het niet, maar boer Jan voelt zich
gelukkig". |
|
 |
|
De rol trommelt op de kasseien hier en daar draagt
de graskant het zware geweld. Ze zijn nu de rechte
weg naar het hof ingeslagen. Wild en onbekommerd
tript en trapt een veulentje de stoet mee langs den
prikkeldraad. Moeder Merrie omspannen door een
wollen deken hinnikt en is voor een tijdje de
sappige groene wei vergeten.
|
Toontjes huis was niet
groot het gepachte huisje, was dringend
aan een nieuwe dakbekleding toe. Want op
zolder waar het ventje laatst met mama
was meegegaan, stonden er verschillende
potten op wel bepaalde plaatsen en die
moesten na een regenvlaag dringend
leeggemaakt worden.
En de pas voorbije winter had papa een
heel grote sneeuwbal naar beneden gerold
langs de opkamertrap, de stuifsneeuw had
door de gapende' dakpannen een
sneeuwtapijt gemaakt.
Papa en Mama hadden geen luxe, maar
werkten hard en als ze gezond zouden
blijven en zo voort hun werk zouden
kunnen doen, dan had mama al gerekend om
zelf een woonst te kopen.
Er werd zuinig geleefd. Toontje was een
enig kind en zijn beste speelkameraad was dolly een levendig
hondje. Ze stormden getweeën met zo een geweld het huis
binnen en buiten, dat Mama er kriebels van kreeg.
Wat het knaapje deze middag gegeten had
dat was niet belangrijk, want buiten was
het mooi weer en daar was een
wonderlijke wereld.
Je fantasie werd geprikkeld door die
grote ruimte. Je stikt er niet je kunt
uitbreken. Op de buiten verdroeg de
natuur je zotste kunsten.
Je was amper een speldenkopje en toch
voelde je het niet. Alles wat je zag was
er nodig, het was al jaren zo het
gedijde hier goed.
|
| |
En jij kleine
Toontje jij bent er ook. |
 |
|
|
 |
|
Zie Toontje daar nu staan met het
gezicht tegen de muur met een voet nu en
dan dof op de grond stampend. Hoor ik
Toontje niet briesen... naast hem ligt
een trekbalkje gemaakt van een
wisje en koordjes.
Het kereltje had gisteren langs zijn
route het wisje afgetrokken al wat je
nodig hebt groeit hier langs de velden.
Straks komt Bert en dan zouden ze met
hun houten karretje de bokkige wegen
opgaan. Bertje was wat later vandaag
maar dat had het ventje niet eens
gemerkt want Toontje was een paard en zo
moest je lang kunnen stilstaan op stal,
diep in gedachten verzonken en nu en dan
rillingen krijgen van schone
herinneringen, je poot moest je dof
laten stampen om te tonen hoe hard en
sterk je was. En voor een klapje in de
nek, ben je gewillig, want het doet
deugd vriendschap.
Toontje speelde altijd het paard dat was
een rol die hem best lag. Voor boer
spelen, nee dat niet, het is te
gemakkelijk. En ook hoe zou hij kunnen
boer spelen. Toontje met zijn
paardengevoelens een paard bevelen? Er
is niets te
zeggen, want het paard weet alles
wat het moet doen. De avond viel al te
gauw voor Toontje, het manneke voelde
zich die avond alleen.
En had hij dat kleine veulentje in de
wei ook niet alleen gezien?
Was het niet voor hem dat het kleine
paardje de stoet naar het hof meeliep?
Het kind had medelijden met het kleine
veulentje als hij dacht dat het
groeien moest om hard te werken en om
dan ook nog, veel alleen op stal staan.
Mama sprak het kind, Mama, in plaats van
een huisje, koop dat veulentje van boer Jan. |
|
Paard in
gedachten verzonken |
|
|
| |
Mama nam haar kleine lieveling op schoot
en vertelde.
Er was eens... Het ventje nestelde zich
warm op Mama’s schoot.
In een klein huisje vervallen
en armtierig woonde er een gezinnetje: Papa, Mama en een kleine jongen. Papa en
mama moesten hard werken, dan hadden ze
juist genoeg om samen de dag uit te
leven.
Jantje zo heette de zoon, een naarstige
jongen want na school ging hij helpen
bij boer Docus hij werkte alsof het voor
zichzelf was, daarom kreeg hij wat zakgeld van boer Docus.
Het was lente en op het hof bij boer
Docus werd een veulentje geboren. Op
slag was Jantje verliefd en doopte het
veulentje Blesse, wegens de witte
vlek op het voorhoofd van het
veulentje, dat was een goede naam
hadden ze hem ingefluisterd.
Jantje potte zijn centjes van het
avondwerk om boer Docus veulentje, te
kopen. Je gelooft het niet maar het
jongetje wroette zo hard gedurende zijn
zomervakantie dat hij genoeg bij een
gespaard had voor de aankoop.
Fier ging het mannetje met Blesse
aan de hand naar huis, het veulentje werd
losgelaten op een gepacht lapje land, in
eigendom van boer Docus. Dagelijks
bracht ons Jantje extra gemaaid gras van de grachtkant voor zijn
lieveling.
Het bleef geen zomer en het gras werd
schaarser en Jantje had zoveel werk met
zijn troeteldier', dat boer Docus het
ventje nog minder zag dan het hoge gras.
Het werd koud en Jantje had het al
enkele dagen in gedachte gehad. Blesse
zou een stal moeten hebben, maar bij
gebrek aan geld om een stal te
bouwen werd met de hulp van 'Pa en
Ma het veulentje langs de
opkamertrap naar
zolder geduwd. Wat zouden Ouders niet
doen om hun kinderen gelukkig te maken.
Maar het werk dat zoontje nu moest doen
om te zorgen voor properheid en om de
geurtjes weg te houden was te zwaar.
Het kind zag er na een week geen doen
meer aan het jongetje zat te schreien
van onmacht en verdriet. In zijn grote
droefheid keek hij naar de grote ogen
van zijn Blesse en plots had hij het.
Het viel hem zo in….
Hij had alles gedaan om zijn
lievelingsdier dicht bij hem te hebben
maar hij had geen rekening gehouden dat
het veulentje ondanks al zijn goede wil
hier boven op den donkere zolder niet op
zijn plaats stond.
|
|
 |
|
Het manneke las in die grote paardenogen
het grote verlangen om weer op stal te
staan bij boer Docus, dicht en warm bij
'Merrie' en 'Hengst'.
Wat had hij toch gedaan paarden passen
toch niet bij arme mensen en veulentjes
zijn s’ avonds liefst bij Mama 'Merrie'.
Jantje, vroeg schreiend aan zijn Papa of
hij aan boer Docus Blesse zou
verkopen, hijzelf durfde niet want het
kind was nu ook al een lange tijd van
het hof gebleven.
De boer "lachte" hij wist wel dat Jantje
Blesse zou terug brengen, daarom,
had hij voor dat weinig zakgeld zijn
veulentje verkocht. Docus kende immers
het goede hart van zijn knechtje.
Papa ontving het weinige zakgeld van
Jantje uit de handen van Docus en Papa
gaf fier, nu uit zijn hand, het
verdiende geld in Jantjes handje.
Ondertussen schudde het veulentje zijn
pootjes in de lucht van blijdschap bij
het weerzien van Moeder 'Merrie' en
vader 'Hengst'.
Jantje zijn hart smolt van
tederheid en vreugde het zoontje was
bevrijd en wist nu, dat je, uw droom niet
hoeft te bezitten om gelukkig te zijn. |
|
Peter De
Brabandere (°1973) aan de
paardenstal. |
|
|
Jantje zei: Papa ik zie u gaarne en Mama
is de liefste van heel de wereld. Hier
al mijn geld, dat is niet voldoende om
jullie droom te betalen maar het zal wel
helpen om de moeilijke winterdagen door te
brengen. En de schouw rookte nu iedere
dag.
Mama die geheel de tijd van het
vertelsel voor zich uitgestaard had keek
nu naar haar Toontje. En wijs zoals Mama
was, zag ze in zijn ogen nog....vragen en
verdriet!
Het veulentje 'Blesse' was nu wel bij 'Merrie' en
'Hengst' maar het zou nu toch hard moeten
werken en alleen staan op stal als het
groter werd, vertelden Toontjes biddende
kijkers.
Moeder vertelde verder.
Weet je lieveling dat Jantjes veulentje
ook een les geleerd had, het wist nu dat
er mensen zijn met een gouden hart die
alles zouden doen om hun paarden
gelukkig te maken. En die tot het
uiterste van hun krachten gaan.
Maar waren zij paarden, nu juist niet de
sterkste in kracht en hoe kunnen ze hun
mensenvrienden beter bedanken dan hun
stoere kracht te schenken!
Weet je mijn lieveling dat boer Jan en
zijn paard hier van het hof…… sprak Mama
tot haar kind. Toontje drukte zijn
kleine vinger tegen moeders lippen en
zei zacht sst….
Mama bracht haar kleine bengel naar zijn
bedje en duwde de lakens tot aan zijn
oren, Toontje draaide zich knus en Mama
zei nog enkel:
Paarden op stal, dromen zoet bij goede
mensen en ze gaf haar bengel nog een
klapje in de nek.
Slaap zacht mijn zoete jongen. |
|
Voor een klapje in de nek, ben je
gewillig, want het doet deugd
vriendschap, dit verhaaltje "Dicht bij
het hof" werd geschreven voor mijn
zoon Peter De Brabandere (1973
Moeskroen), uit
het stof gehaald voor mijn kleinkinderen
Mathis (2002
Roeselare) en Tanguy (2004
Roeselare).
(JM-Kortrijk 'torenvalk') |
| |
Roger (1923-1988) en zoon Jean-Marie
De Brabandere (1947) |
|
|
|
 |
|
|
|
De gebruikte voornamen
zijn niet toevallig de voornamen van
onze grootouders die op het Rhodeshof
woonden. Het was al jaren zo, door hun
voorbeeld en verzonnen verhaaltjes,
namen die lieve mensen de tijd, om hun
kinderen een goede
opvoeding te geven.
Zie je boer Jans geluk,
hij troonde Toontje bovenop die stille
werker dicht bij dat klinkende belletje.
Misschien herken je de 'filosofische moeder' in het verhaaltje, die met
liefde vertelt.
"een schoon geluk maar je
ziet het niet", getekend boer Jan.
Graag eindig ik met een
door iedereen gekende spreuk die mijn
grootvader langs moeders zijde Achille
Deput in ere hield: |
| |
|
Daar alleen kan liefde
wonen. Daar alleen is het leven
zoet, waar men stil en
ongedwongen, alles voor elkander
doet. |
|
|
|
Jean-Marie De Brabandere (1947)
(alias JM-Kortrijk
"Wakkere Torenvalk"
Wervik 1969) fs
(Roger Debrabandere fs (Hector x
Juliana Vanneste) x Marie Deput fa
(Achille x Maria Knockaert))
kinderen
Peter De Brabandere x Veronique
Verbeke
kleinkinderen
Mathis De Brabandere en Tanguy De
Brabandere |
|
|
|
|
Oktober
2007, herinneringen,
20 jaar geleden: "aan het venstertje"
Oktober 1987 "Aan de Scheldeoever…..
Helkijn, in huis achter
het venstertje.
Een melodie spint een kort refreintje uit tot een grote web
van harmonie.
Terwijl aan de overkant van de Schelde de boer zijn houten
kar laadt met bieten, geniet het voorgespannen zwarte paard
van zijn kleine ruimte; de zwenkel (zwienkel, zwengelhout)
ligt op de grond.
Het alerte paard trekt nu en dan op het teken van zijn
meester de verzonken kar met krachtexplosie enkele meters
verder.
Om beurten wordt gewerkt. Het geduldig laden van de kar
wordt door een korte nijdige brute kracht van het paard
gecompenseerd.
Het paard zet weer zijn volle kracht in, de dode kar komt in
beweging, de bijna volle kar komt rap op een snelheid, het
dwingt de boer zijn grootste rappe stappen te nemen. Het
forse geweld is een teken dat zijn horse bereid is een volle
kar huiswaarts te trekken.
De twee dagen elkaar uit, de overvolle kar is de rem om niet
voort te doen.
…… De gedachten voor het schrijven en de rustige klanken in
huis hebben het paard en de kar reeds lang van voor het
venster weggeveegd wanneer ik de laatste regel schreef.
Achter het venster.
Een moment van schoon geluk altijd te vinden in het simpele
bezig zien- en ‘zijn’ van leven.
Het plezier van het waarnemen, ’t vonkje of stootje leven
ergens hier of waar ook, kan wanneer je één bent met het
gebeuren, zo alles doen op maat trillen in je positieve
gedachten.
Wanneer je het klavier van de ontelbare opgespaarde
gedachtetoetsen laat bespelen door ’t levensvuur van wat je
ziet, voelt, hoort en ruikt, dan is de orkestbak die je
bent, in trilling, in rilling vol welbehagen- en energie
enkel getemd door de op dat moment aanspeelbare toetsen.
Oktober 1987, Helkijn (vroeger de Scheldekaai)
Klaar, om aan de slag te gaan."
20 jaar geleden (JM KORTRIJK oktober 2007) |